Poëzie

Voor de liefhebbers

Boeken
zei de marktkoopman
kun je overal kopen
maar ik
heb héle slechte
en kijk
dat maakt het gelijk
heel anders.

(Uit: ‘Voor de liefhebbers’, Rotterdamse Kunststichting, Rotterdam, 1972)

Alarmfase Drie

O dronken dichter,
vernederd door de geldelijke leugen,
weerloos en waardeloos wild
in het door economen beloerde jachtterrein,
luister naar mij:
jouw dag komt fluitend naderbij.

Ik wéét wel, dichter,
nog steeds verachten bovenbazen
maatschappelijk mislukten,
nog altijd gonst de vraag alom
naar hazeharten met pep, maar nu
onze ogen opbranden, onze kelen verdorren
en onze hoest alarmfase drie toeblaft, juist nu
moet jouw stem vonken als nooit tevoren
in onze beroete harten.

O dronken dichter,
herstel de oude waarden,
laat gaslicht statig neerdalen
op alle parken in de wereld,
wees weer een kaper van malse meisjes,
zwalkend met bloedrode zeilen
over zeeën vol liefde en tederheid,
drinkend aan bedauwde borsten,
ademloos wegzinkend in heupen
vol ontvangenis.

O dwaze dromer
zing een streep door de rekening
van de zwelgers in macht,
zing weg de leugens uit ons leven
en verban de kassa van het kapitaal.

(Uit: ‘Alarmfase Drie’, Pro Civibus, Amsterdam, 1973)

Geluk

Geluk is het gezicht van een beminde vrouw
achter het venster van de nachttrein vóór vertrek:
dichtbij, nochtans op afstand, blakend van ontrouw
aan een voor kort volmaakt gestolde plek.

(Uit: ‘Bewaasde dromen’, Piccolo, Rotterdam, 1975)

Zwarte lente

1

Een onbewolkte hemel. Wat wind uit west.
De prikkel van de lente, die dinsdag veertien mei.

Ondanks de druk van buitenaf geen zand
nog in de motor van weerbarstig Rotterdam:
velen met flegma aan het werk, and’ren thuis
bij radio, weer and’ren dwalend door de stad,
wadend door geruchten. Waakzaam voor een sluwe
dreiging slopen soldaten door de straten -
verraders sliepen niet.

De stad – verscheurd in tweeën, de oorlog
in zijn vijfde dag – kreunde van verse wonden:
het deel ten zuiden van de Maas, het vliegveld
en het Noordereiland werden beheerst door vreemde
meesters. Hun stemmen, rauw, onmelodieus, weergalmden
door de ruimten, hun laarzen lieten sporen na
van bloed’rige tafrelen.

Mensen doodden mensen. Uit willekeur, doch
op bevel. De Maas was frontlijn, vreemden lagen
op de brug en op de ka daarachter. Maar zee-
en landsoldaten temden vijanden met vuur vanaf
het Witte Huis, het hoogste punt ter plaatse.
(Mortiervuur van de indringers deed al
beschamend werk: stijlvolle huizen van weleer
kleurden de Boompjes rood. En reuzenvogels
pletten and’re panden aan Wijnhaven en Blaak.)

Toekomst werd aangerand door nevel: men zou
door droeve dalen gaan om weer het licht te zien.

2

Drama laat enkel waar het schikt vooraf
zijn tanden zien. Niet immer nadert noodlot
op onbeheerste voeten. Vaak daalt het onheil
onverhoeds vanuit een fraaie hemel. Alleen
sensib’len snuiven soms het onraad eerder op:
een kwellend zoemen in het ginds, een trieste
bries rondom het huis, een geur die ànders is.

Die lentemiddag twaalfuur-tien kwam het verraad
los van de grond. Op jacht naar voedsel voor
de dood, die altijd honger kent. Negentig
vogels in de lucht, niet één daarvan meer
in de hand. Want zij die opstegen van Quackerbrück,
van Delmenhorst en Hoya zouden niet tijdig keren.
Als op een feestelijke vlucht klonk hun gezang
in ‘t blauwe zwerk, opwinding klevend
aan hun vleugels. En alle hadden rouw aan boord,
op maat om af te werpen.

3

Veel mensen die hun stad beminden, woeien eens
aan van overal. Vaak balden zij in jonge jaren
in Friesland of in Groningen, speelden in Brabant
krijgertje, sprongen in Limburg door een touw.
En and’ren stoeiden in het hooi op eilanden
onder de Maas. Hun drift naar werk of lust
tot liefde dreef hen in massa naar de stad.
En wie van haar had leren proeven, ging zelden
meer terug naar toen. In Rotterdam viel méér
te doen: haven en handel bood hen brood, de stad
een ruw soort vriend’lijkheid. Er was iets hechts
dat hen omsloot.

Welke vezels bonden mensen aan het vóóroorlogs
Rotterdam? Was het de Hoogstraat, winkelstraat,
waar men zich wringend voortbewoog? Het volkstoneel
in Tivoli? Terrassen op de Coolsingel? De tingel-
tangels in het Hang? De lichtjes van Schiedamsedijk
met hot jazz, swing en ‘t losse leven? Of was dat
alles om het even? Ging het juist om àlle beelden
en daarin dikwijls het contrast? Zowel Erasmus
op zijn sokkel – in rust verzonken in zijn boek -
die telkenmale klokslag twaalf een bladzij om
zou slaan als het flaneren op de Blaak? Niet minder
de sacrale stilte van de Sint Laurenskerk als
het gewoel van schepen die af en aan de Maas
bevoeren? De panden van patriciërs aan de bejaarde
havens, maar evenzeer het lef-marcheren van onze
zeesoldaten, met pijpers en met trommelslagers?

In aantal welhaast tachtigduizend verbleven mensen
dicht opeen. De driehoek van het oude hart weergaf
het beeld dat eens verdween: een web van straten,
pleinen, stegen, doorkruist door enk’le waterwegen.
En telkens hier in ‘t nauw gebracht, ging zonlicht
vaak ontmoedigd af. In deze klonterige buurten
van arbeiders en winkeliers, van kostbazen en
kasteleins, van hoteliers en fabrikanten, van werkers
met hun hoofd of handen, kleefden in vreugde en
in vrees in die aan geld berooide dagen stakkers
en gelukzaligen aan dat éne plekje grond, dat hen
- trots wrijvingen of vetes – als door ‘n weefgetouw
verbond.

4

Ten noordoosten van de stad, rond woningen en
boerderijen, vernamen mensen een gebrom dat allengs
dreunen werd. En in de onbesmette lucht ontwaarden
zij een wijde vlucht van reuzenvogels – in twee
wraakzuchtige formaties – belust op Rotterdam,
waar binnen enige minuten de misdaad aanvang nam.

5

Tragedie gaf om één uur stipt de rolverdeling aan.
Op daken in de havenstad schreiden luid sirenes.
Ditmaal echter schreeuwden zij signalen zonder
pauze uit. Velen dolven naar een schuilplaats,
elders of in eigen huis. Maar anderen bruuskeerden
de opdringerige klanken – gestage onrust had tot slot
hen stoïcijns gemaakt.

Een huisvrouw op een binnenplaats – de Bernardina-
straat – haalde haar wasgoed van de lijn. Het werd
aldaar de laatste keer.
Een leraar op de Hoogstraat gaf een handdruk
aan een vriend, die hij nooit wéér zou zien.
De Torenstraat zag dienstmeisjes in blinde angst
de kerk ingaan, waarin de kluis hun tombe werd.
De kind’ren van Sint Lucia – ‘t Gesticht aan Linker
Rotteka – kropen als mollen in de grond. Meer dan
zeventig in tal zochten zij toevlucht in de school.
De kelder schonk hen veiligheid.
Maar tachtig mensen in een kroeg – een zijstraat
van de Goudsesingel – namen lacherig een dronk.
(Het zou zo’n vaart niet lopen.)

Zó deden duizenden in nood wat zij beschutting achtten
- en sommigen wat zij niet laten konden: de eerste
of de laatste dingen, in de smeltkroes van hun leven
op die barse dag in mei.

6

Wanneer precies werd ‘t zoemen brommen, werd brommen
brullen, gebrul gedreun? De klok wees tien voor half-
twee: plots sloeg de flegma om in angst die stak
met duizend naalden: er klonk een donderende slag.
En nòg een – en andermaal. En toen een monsterlijk
lawaai, een vloedgolf van explosies, startend in
midden Kralingen, de oostelijke flank, maar toornig
aanstormend en brakend over heel de binnenstad.
De hand van een gigant sloeg moordend toe op mens
en dier: van Maasstation tot Willemsplein, van
Zalmhaven tot Binnenweg, van Mauritsweg tot dierentuin,
En van het Delftse Poort Station tot aan de Goudserijweg.
Welhaast honderd ton aan bommen kwam als giftig vuil
omlaag, geloosd op woningen en winkels, kerken, kroegen
en kantoren, fabrieken en garages, werkplaatsen en
kosthuizen, eethuizen en bioscopen, musea en theaters,
ziekenhuizen en hotels. In tien verkrachtende minuten
werd hier waanzinnig platsgewalst wat tal van mensen
lang daarvóór met hoofd en hart had opgebouwd.

Muren beefden, zolderingen bogen door. Panden scheurden,
braken open, stortten als kaartenhuizen in. Trappen
zweefden in de lucht tussen niets en nergens. Dwars
door de orgie van geweld klonk kreunen, gillen en
gejammer, en het geloei van vlammen. In straten,
kelders, onder trappen schonken mannen, vrouwen,
kind’ren hun adem aan de eeuwigheid – bedekt door puin,
gesmoord door rook, verzengd door vuur ofwel verdronken
in het water dat in de kelders stroomde. Ook waren er
die struikelden en nimmer meer herrezen. De toekomst
van hen allen werd hier verleden tijd. Verminkt, geschramd
of door een wonder ongeschonden zouden and’ren jaren later
blijven vluchten in hun geest. Vlammen achtervolgden hen
boosaardig door het labyrint van straten, waar ook
het neerkwakkende puin vaak niet te weren was.

7

De binnenstad werd snel een oven. In vlam stond ook
de Laurenstoren, drieënzestig meter hoog. De Plas
in Kralingen weerspiegelde het sterven van de stad.

Mensen doken op als geesten uit wolken stof en kalk.
Enk’len renden weg als fakkels voor zij ter aarde
zonken. And’ren smeten spullen uit hun zind’rend huis
op straat of zand op bomscherven die gloeiden. Panisch
groeven sommigen met blote handen in het puin naar
ieder wie hun lief was.

Langs lijken op de Coolsingel, haastig met lakens
overdekt, trok de langgerekte stoet van kind’ren
van Sint Lucia huilend naar een school in west, op weg
naar verse veiligheid. Vanuit de zalen en het zusterhuis
van het geschonden ziekenhuis wierp men matrassen
naar omlaag, werden patiënten rap verplaatst naar tuinen
en gewelven.

Bomen ontloverden, schroeiden, stierven. Herten uit
de dierentuin ijlden door het vuur en puin over
de Coolsingel. Rondom het Delftse Poort Station draafden
verdwaasd de bisons. En elders zwierven zebra’s rond
en vele and’re dieren.

Uit bergen gruis blies stoom omhoog, roestige stank
dreef door de straten. Roet en as vlogen op, landden
kilometers verder met hun boodschap van verderf. En toen
begon de uittocht van ontelbare ontredderden: slingers
mensen golfden driftig naar de randen van de stad,
weg van beelden van verschrikking, weg van wat
hun liefde had.

8

Misschien lopen er draden door de langgestolde lagen
van eeuwen treurnis. Misschien vond alles eerder plaats
met steeds dezèlfde mensen. Misschien werd Troje Rome,
Carthago Rotterdam. En andersom. En onderling verwisseld.
Want tijd is vliedend en statisch tegelijk.

Zo vond op die lentedag in de driehoek van het hart
een and’re driehoek zich terug: die van droom, doem
en droefenis, symbool van àlle tijden.

9

Zwarte rook verdichtte zich, trok zich wervelend omhoog
en hield de zon een blinddoek voor. Boven de vlammen
werd het duister: in de middag werd het nacht.

Drie mannen liepen op de brug naar de verschanste
vijand: een kolonel, een kapitein en een sergeant-majoor.
De laatste droeg de witte vlag. Er was geen hoop meer,
geen illusie, geen sprankje licht dat uitzicht bood.
De kolonel – de commandant – kon zijn gevoel niet
knev’len. Meer mens dan militair die dag verloor hij
zich in snikken bij ‘t beeld van wat hij achterliet:
de stad die hij had liefgehad en nu rampzalig onderging.
Hij werd doordrenkt met bitterheid toen hij zijn laatste
schreden deed naar de verblijfplaats der demonen.

(Uit: ‘Een dwaze dag in Rotterdam’, Piccolo, Rotterdam, 1977. ‘Zwarte lente’ werd eerder, in 1976, als vlugschrift verspreid door het Bureau Voorlichting van de Gemeente Rotterdam)

Interne communicatie

Nadat de roverhoofdman van een bedrijf
in produkten ter bevordering van bloeiende
bloedvaten op een ogenblik van eenzaamheid
en inkeer – zijn vrouw was in de ziekenzorg
beland en zijn dochter in concubinaat -
zijn directeur van sociale zaken
verzocht had eens na te willen denken
over de start van een Sociaal Jaarverslag
en deze prompt die taak delegeerde
aan diens secretaris, welke handlanger
op zijn beurt toevlucht zocht in
de toegankelijkheid van een assistent die,
ontluikend in de zon van zijn carrière
en behept met de gave van de kiene blik
vooruit, zich al verzekerd had van
de beschutting door een naaste medewerker,
waardoor op een sociaal lager niveau
over de in de ogen van de gezagsdragers
óók sociaal lagere vraagstukken kon worden
gepeinsd – wat hen zeer wel uitkwam
nu het modewoord beleidsparticipatie
wortel begon te schieten voor zaken
waaraan geen eer viel te behalen -,
werd op een sombere dag de werkgroep
Interne Communicatie opgericht die meteen
opgezadeld werd met het dualisme nu eens
in de huid van de opperboffers te moeten
kruipen en dan weer in die van de leden
van de Ondernemingsraad, bij welke
hersenspoeling de werkgroep verkrampt
poogde enige harmonie te scheppen in
de daarna naar anarchie geurende chaos,
gepaard gaande met honderden onzedelijke
woorden, schuim op veler lippen en sterk
stijgende bloeddrukcurven, waarbij in
de slijtageslag om zestien of méér woorden
in een zin twee typistes hun zielestrijd
verwisselden voor het huwelijk, een drukker
aan de drank raakte en een copywriter
arbeidsongeschikt, waarna tot aller
ontreddering het eerste Sociaal Jaarverslag,
waarin niets gezegd werd maar wèl
heel uitvoerig, op de nipper nog van de pers
rolde – juist op het moment dat het bedrijf
onder druk van de neerwaarts gaande
conjunctuur zijn poorten moest sluiten.

(Uit: ‘De val omhoog’, Piccolo, Rotterdam, 1979)

Het Oude Noorden

Als kind zwierf ik hier in de Hongerwinter
door de straten, speurend naar voedselvoorraad
in de buurt, bevreesd dat ik te laat
zou komen bij verdeling als de hint ‘er

staat een wagen voor een winkel, haal gauw
je bonnen’ werd gegeven. Saamhorigheid,
een sieraad in die schaamteloze tijd,
was in dit stadsdeel, toen daar het leven rauw

zich proeven liet, nog niet teloor gegaan -
een wijk waarin de mens niet veel bezat,
maar zijn mentaliteit niet liet vermoorden

door gruwelscheppers met een grootheidswaan.
Het was een dorp temidden van de stad
en bleef daarin zichzelf, het Oude Noorden.

(Uit: ‘De warmte van het Oude Noorden’, Piccolo, Rotterdam, 1980)

Wording

Voortgestuwd uit de drift en het duister
van de oertijd, uit toenemend fluiten van wind
na het mysterie der stilte, uit brekende golven
der zee onder het krijsen van meeuwen, verwekt
in Helinium, lagune dichtgeslibd met zand en klei,
in verzoetend water omhelsd door waterplanten,
verveend, vervreemd van oorsprong en herboren,
opnieuw bevrucht met klei nu ook geschonken
door rivieren, een plek, een toevluchtsoord
temidden van barbaarse steppen en moerassen -
Rotterdam.

(Uit: ‘De roes van Rotterdam’, Piccolo, 1982)

Prins van Rotterdam

Erasmus, prins van Rotterdam.
jij hoeder van het vrije woord,
het niet-geknechte denken, nimmer gesmoord
als boodschapper van mens’lijkheid, jij was de vlam

in ‘t duister, nobele piek tussen de dalen
van leugens, corruptie en bedrog, in dagen
vol treurnis om ‘t leed te moeten dragen
van veile terreur en willekeur – kwalen

gesausd voor àlle tijden. In nood gegist,
in eenzaamheid, bespiegeling, schragen jouw werken
nog immer vredezoekers, doet hen sterken
in wijsheid bij verzoening – o humanist.

(Uit: ‘Astie de klok hoort slaan…’ Ad. Donker, Rotterdam, 1986)

Zottenklap in Rotjeknar

Dáár buit’len ze, de narren,
in nuchter Rotjeknar. O dartelen
met snaakse daad, prikkel van onze
zinnen, het wachten viel ons lang.
Bevrijd ons rap van ‘t heilig
moeten, waaier uit op lichte voeten
met betov’rend repertoire. Scherts,
goden van de schelmse streek,
en duikel, dans en fiedel
van Kralingen tot Katendrecht,
laat swingen jullie riedel.
Bestijg in wervelende uren
toppen van dwaasheid met allure
en tem de bruutheid van de stad.
Serveer het zoet van zottenklap,
bons met vuur op jullie trommels,
laat ons dan in drommen golven
naar dat feest. Kom, gelukzaligen
van geest, verjaag voor ons de
hartelozen. Schenk winkelfeeën
verse kracht, zaai stofgoud uit
op de kantoren, en strooi handen vol
geluk onder werkers op fabrieken -
bespot de lieden die hen kwellen.

Hup narren! Als de weerlicht nu
de zilverklank van jullie bellen!

(Uit: ‘Rotterdam Ongebroken’, De Stadspartij, z.j.)

Gedachten

Terug naar de home page

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>