Herdenking bombardement 14 mei 1940

Toespraak van Herman Romer, op uitnodiging van het Oecumenisch Laurensberaad Rotterdam, in de Sint-Laurenskerk op 14 mei 2005 bij de herdenking van het Duitse bombardement van Rotterdam op 14 mei 1940.

Dames en heren,

Toen men mij vroeg over mijn herinnering aan het Duitse bombardement te spreken, heb ik even moeten nadenken. Had ik daarover nog iets te melden dat niet al voldoende bekend was? Maar het moest hoofdzakelijk om een persoonlijke herinnering gaan, begreep ik. En die persoonlijke herinnering, besefte ik weer wat later, is niet los te maken van een stad, zoals ik haar zowel voor als na het bombardement heb gekend.

Ik ben geboren in 1931. Daarom heb ik bij het schrijven van mijn boeken niet kunnen ontkomen aan de bekende dramatische breuklijn in de tijd. ‘Het was voor mij als kind verbijsterend toen dat stadshart met zijn vloed en gloed van lichtjes en lichtreclames, met zijn bonte verlokkingen in de etalages van winkels en warenhuizen, plotseling spookachtig ineenstortte, eerst in vuur en daarna in duisternis. Weggezonken in een afwisselend stoffige en drabbige puinvlakte, waarin straten ergens begonnen en zomaar ophielden, en kraters van kelders en skeletten van panden het verloren geluk schrijnend onderstreepten.’ Dit legde ik ooit vast in een boekje met persoonlijke herinneringen.

Die tragische beelden bleven tot op de huidige dag in mijn geheugen opgeslagen. Scherven van de gebeurtenissen uit de meidagen van 1940, en uit de verdere oorlogsjaren, heb ik deels kunnen verwerken in mijn onlangs verschenen verhalenbundel ‘De vlammende stad’. En misschien, zeker weet je dat nooit, heeft dat voor mij in zekere zin een geestelijke reiniging betekend. Maar ik ben mij er tegelijk van bewust dat niet iedereen die mogelijkheid heeft of heeft gehad.

De beste humor, menen kenners, wordt geboren uit verdriet. Zo is er een anekdote over twee voor het nazi-regime uit Duitsland gevluchte joodse mensen, die elkaar tijdens de Tweede Wereldoorlog na lange tijd in New York tegen het lijf lopen. ‘Are you happy?’ vraagt de een. ‘Yes’, antwoordt de ander. En na een korte pauze vervolgt hij met: ‘Aber nicht glücklich.’

De beste humor ontstaat vaak na doorstane beproevingen en ligt dan in superieure vorm dicht tegen leed aan. Zo is er een tijd geweest waarin de Rotterdammer, blikkend over de onmetelijke lege vlakte tussen Oostplein en Kruiskade, zijn verdriet probeerde weg te masseren met de opmerking: ‘Wat klagen we nou? We hebben nu toch het grootste plein van Europa?’ Dat was diezelfde Rotterdammer die ‘s avonds in de oorlogsjaren, toen het licht niet meer mocht branden, zelfs op het Hofplein verdwaalde, omdat er nog zo weinig punten van herkening meer waren. In die tijd stond de geblakerde Laurenstoren als een reusachtige holle kies omhoog in wat ik later de Grote Leegte ben gaan noemen, een puinvlakte waarin ik als kind zo vaak ronddoolde.

Mensen die het vooroorlogse Rotterdam nog hebben gekend, worden krachtens de natuurwet steeds kleiner in getal. De ziel van de oude stad lag destijds ten oosten van de Coolsingel. Die ziel was de Hoogstraat, die kilometerlange en toen nauwere winkelstraat, met zijn straattheater van muzikanten en zangers, acrobaten en pindamannen, de man met de ballonnen en de vrouw die molentjes verkocht. Mijn ouders gingen er vaak met mij wandelen. Het oude Rotterdam was een swingende stad, waarbij vooral de Hoogstraat voor de mensen een warmtebron was. Als kind was die straat, voor een deel heel wat fraaier van architectuur dan nu, voor mij het hart van de wereld.

In Galeries Modernes op de Hoogstraat, die in de volksmond de Franse bazar heette, mocht ik soms van mijn moeder een miniatuurcowboy kopen, een stukje speelgoed van papier-maché. Een miniatuursoldaat mocht ik niet aanschaffen, vermoedelijk omdat mijn ouders sociaal-democraten waren, en anti-militairistisch georiënteerd. Ik meen zelfs dat mijn vader nog enige tijd een aanhanger is geweest van de beweging, die zich tooide met het speldje van het gebroken geweertje.

Voor de Tweede Wereldoorlog plooide de stad zich om je heen als een veelgedragen, maar nog altijd warme jas. Het oude Rotterdam was bepaald niet de mooiste onder onze steden, ja deels zelfs behoorlijk verwaarloosd. Hoewel er ook grachten waren waaraan juwelen van historische panden lagen, had het stadshart buurten waar ernstig verval huisde. Maar Rotterdam was een stad die, ondanks de werkloosheid en de daaruit voortvloeiende armoede, zich hulde in een sfeer van een rauw soort vrolijkheid.

Ook mijn vader was werkloos, zoals velen tijdens de economische crisis van de jaren dertig. Mijn moeder was een geboren Rotterdamse, mijn vader was pas halverwege de jaren twintig in Rotterdam beland. Hij kwam uit Leeuwarden, waar hij zowel wisselloper als kantoorklerk was geweest. Daarna ondernam hij gedurende enige jaren van alles om in Rotterdam zijn brood te verdienen, maar wat later, in de crisistijd, zaten geen werkgevers meer op hem te wachten. Als werkloze moest hij jaarlijks zo’n week of acht, onder de vlag van de Nederlandsche Heidemaatschappij, ontginningswerk in Drenthe verrichten. Eens in de veertien dagen mocht hij met weekendverlof naar huis.

‘Tijdsbegrip is een mysterie,’ schreef ik eens. ‘In de persoonlijke beleving vloeit tijd weg als water door een goot; nu eens traag, dan weer vlug. Wie weet lijkt daarom het bombardement van Rotterdam voor jonge mensen een mythe. En voor sommige ouderen langzamerhand een zinsbegoocheling. Maar niets is minder waar: die boze droom is, althans voor mij, een realiteit die zich gisteren voltrok.’

De straat waar ik in de meidagen van 1940 woonde, bestaat niet meer. Die straat heette de Bernardinastraat en liep evenwijdig met de Hofdijk, toen hoofdzakelijk een winkelstraat. De Bernardinastraat lag tussen de Van der Duynstraat en de Schoterbosstraat, ongeveer op de plek waar zich nu de achterkant van het gemeentearchief bevindt. Het was een korte, rustige straat in wat we tegenwoordig de Agniesebuurt noemen.

Hoe voltrok zich de tiende mei 1940? U weet het: gezien onze neutraliteitsverklaring was ons land eenvoudig verbijsterd door de Duitse inval. Al langer dan honderd jaar hadden we ons aan het oorlogsgeweld in Europa kunnen onttrekken. Toch hadden veel mensen de overtuiging, dat we de vijanden terug konden jagen naar waar ze vandaan kwamen. Sommigen, althans in die delen op de rechter Maasoever waar zich nog geen agressors ophielden, togen zelfs normaal aan het werk. Mijn vader was op die tiende mei teruggekeerd van zijn verplichte arbeid voor de Nederlandse Heidemaatschappij.

Voordat de verdelging van het stadshart zich voltrok, was de atmosfeer doordesemd van geruchten. Vooral verraad was daarbij aan de orde. Het heugt me dat ik niet naar school hoefde, de jongensschool in de Jonker Fransstraat. En ik weet nog dat ik op een van de Pinksterdagen mijn grootouders, die van mijn moeders kant, ging opzoeken. Zij woonden destijds in de Wiekstraat, in het nabije Oude Noorden. Op weg naar hen kwam ik op het Noordplein plotseling tegenover een groep jonge Hollandse soldaten te staan. Zenuwachtig slopen ze als tirailleurs, en met hun geweer in de aanslag, van boom tot boom, uitkijkend naar mogelijke verraders die aan het krijgsgebeuren wilden deelnemen. Bang was ik die dag nog niet, eerder nieuwsgierig. Op dat moment leek alles voor mij nog op een spannend jongensboek.

Het moet de veertiende mei ongeveer één uur ‘s middags zijn geweest, dat de schrille klanken van de sirenes waarschuwden voor luchtalarm. Weinig mensen op de rechter Maasoever schonken er nog aandacht aan, omdat zo’n alarm al dagenlang had geklonken. Die middag was ik met een jongere buurjongen in ons huis aan het spelen.

Enige tijd daarvoor had mijn moeder aan mijn vader gevraagd, wat boodschappen voor ons te doen bij De Zwaluw, de kruidenierswinkel op de Goudseweg. Daar was hij nog toen omstreeks tien voor half twee vanuit het oosten van de stad een aantal donderende slagen klonken. Op dat moment was de eerste formatie Duitse Heinkels gestart met de verwoesting van de stad, te beginnen in een deel van Kralingen.

Bij het neerstorten van de eerste bommen ontstond er in de kruidenierswinkel paniek, en rende mijn vader met andere mensen de zaak uit. Bij het snel naderbij komen van de dreunende inslagen, vloog hij in de Goudsestraat de winkel van een melkboer binnen. Ongeveer op dat moment waren mijn moeder, de buurjongen en ik in onze angst al in de kelder van ons benedenhuis gekropen.

Lang bleef mijn vader niet in die melkwinkel, omdat hij radeloos was bij de gedachte wat er met ons kon gebeuren. Dus snelde hij in het toenemende tumult kort daarna ook die winkel weer uit, bezield door de alles overheersende gedachte ons huis te bereiken.

Intussen wilde vanuit het zuiden van de stad een tweede formatie Duitse bommenwerpers eveneens met de vernietiging van het stadshart beginnen. Het belangrijkste deel daarvan zwenkte – vanwege een opgegaan Duits signaal – nog tijdig af, maar drie vliegtuigen van deze formatie wierpen ook hun last af.

Gelukkig had mijn vader besloten, de schuilkelder op het Van Alkemadeplein niet binnen te vluchten. Daarop belandde iets later een voltreffer, waardoor – zo bleek naderhand – alle mensen erin ontijdig het leven lieten.

Direct nadat mijn vader ons huis had bereikt, dook ook hij de kelder in, kort voordat ergens achter onze woning een bom neerkwakte. Toen het boven ons stil werd, kropen wij verdwaasd de kelder uit, en vloog de buurjongen, totaal overstuur, naar zijn ouders in hun nabijgelegen bovenwoning.

Buiten gekomen namen mijn ouders mij daarna tussen hen in, om ons naar de Hofdijk te begeven. Aanvankelijk liepen we nog ogenschijnlijk bedaard, alsof het om een zondagse wandeling ging. Waarschijnlijk wilden mijn ouders mij niet het gevoel geven, dat zich een verschrikkelijke gebeurtenis afspeelde. Maar op het moment dat ik op de Hofdijk omkeek, werd ik al snel uit de droom geholpen. In het venster van de etage boven de groentewinkel op de hoek van de Van der Duynstraat met de Katshoek, zag ik vlammen in de wapperende vitrage, terwijl dichter naar het stadshart een gloed van vuur en rook de hemel overweldigde.

Kort daarna kwamen vanuit de binnenstad achter ons chaotische mensenmassa’s aanstormen, gillend en schreeuwend, huilend en jammerend, sommigen spaarzame bezittingen of een huisdier meeslepend. Het waren aangrijpende beelden, waardoor ook mijn ouders met mij begonnen te rennen, weg van het onheil dat Rotterdam in zijn greep had gekregen.

Onderweg haalden we als de weerlicht mijn grootouders in de Wiekstraat op, waarna we met ons allen langs de Rotte naar Bergschenhoek vluchtten. Daar vonden we onder de hooischelf van een grote boerderij een opvangplaats, die anderen al eerder hadden bereikt. Al spoedig die middag kwamen daar voor de vluchtelingen vrachtwagens voorrijden met dozen en kisten, gevuld met voedsel, kleding en dekens, razendsnel bijeengegrepen uit winkels in de brandende binnenstad.

Terwijl hij me stevig aan zijn hand vasthield, ging mijn vader met mij later die middag, nadat de stad kennelijk gecapituleerd had, naar de kant van de weg. Daar zagen we Duitse troepen, met SS’ers in hun zwarte uniform voorop, naar de gebombardeerde stad opmarcheren.

Bestookt door onzalige gevoelens, probeerden we die nacht, hoe moeilijk ook, enigszins te slapen onder het dak van de hooischelf. Veel kwam daarvan niet terecht. Volkomen verbijsterd vroegen we ons af, wat ons verder boven het hoofd hing.

De volgende dag, de vijftiende mei, kenden mijn ouders geen rust, omdat ze absoluut wilden weten hoe het er met ons huis voorstond. Dus trokken we terug naar de stad, maar die was grotendeels afgezet. Alleen bij de brede Hugo de Grootstraat vond mijn vader een burgerwacht die, zelf verscheurd door ontroostbare gevoelens, na lang aandringen bereid was ons door te laten. ‘Op eigen risico!’ liet de man ons met klem weten.

Van die tocht door spookachtige straten, met soms nog brandende of rokende ruïnes, heugt me nog enige details. Zo herinner ik me dat, kort voor ons passeren, op de hoek van de Goudsesingel en de Hugo de Grootstraat een muur afbrokkelde en in een wolk van stof omlaagkwam. Op diezelfde Goudsesingel waren dode mensen al weggehaald. Alleen lagen er nog de stoffelijke resten van honden, katten en enkele paarden. Ook passeerden we een uitgebrande munitiewagen.

Terwijl we, soms springend, over en langs puin, glas, binten en verwrongen ijzeren stangen onze weg zochten, kon je vanaf de Goudsesingel, dwars door de geraamtes van verwoeste en uitgebrande panden, de Boompjes zien. De voorheen zo dichtbebouwde stad was transparant geworden. Bomen waren zwartgeblakerd en bladerloos. Overal rook je de stank van verbranding en er hing een zachte, zoetige warmte. Af en toe daalde uit de hemel verbrande papiersnippers, zwarte confetti, op ons neer. Van het Grand Théâtre, die imposante bioscoop van Abraham Tuschinski op de Pompenburgsingel, was slechts een ruïne overgebleven. Enige tijd eerder had ik als joch in m’n eentje staan huiveren bij de foto’s van Boris Karloff in de vitrines, toen in dat theater het Monster van Frankenstein werd gedraaid. Nu had die huiver zich ook van de wereld buiten die bioscoop meester gemaakt.

Bij aankomst in onze straat bleek, behalve een enkele muur, niets meer overeind te staan. Op de ochtend van het bombardement had mijn moeder de was gedaan, maar nog niet te drogen gehangen op het plaatsje achter onze woning. Die was lag nog steeds in de teil op dezelfde plek. ‘Kijk, je zondagse jurk,’ zei mijn vader tegen mijn moeder. ‘Die mooie blauwe met die witte noppen.’ Op het moment dat mijn vader de jurk uit de teil haalde, viel ze in stof uiteen.

Achteraf was dat weinig verbazingwekkend. Wij woonden aan een van de randen van het verwoeste gebied, maar in het hart ervan moet het een inferno zijn geweest, met vuurhaarden waardoor baksteen was verglaasd, de deklaag van beton gesprongen, en staal gesmolten.

Ik zou met u mijn herinnering aan het Duitse bombardement ophalen. Toch wil ik nog iets hieraan vastknopen. Mijn ouders waren zeer verknocht aan Rotterdam en wilden absoluut de stad na het bombardement niet verlaten. Dus zwierven we de eerste maanden van de ene bedroevende huisvesting naar de andere.

Eind januari 1941, wonend in de Stampioenstraat op Zuid, werden wij voor de tweede maal weggebombardeerd, ditmaal door de Engelsen. Onze huiskamer werd doorzeefd door bomscherven, maar mijn ouders en ik, weggevlucht in ons piepkleine keukentje, waar alleen het plafond omlaagkwam, brachten opnieuw het leven ervan af.

In Rotterdam, niet alleen de zwaarst, maar ook de meest gebombardeerde stad van ons land, was er tijdens de oorlog 147 keer luchtgevaar. Vele nachten krijsten de sirenes en wachtten de mensen, in de al zwaar getroffen stad, op de toppen van hun zenuwen verdere bominslagen af. Onrecht, willekeur en terreur bepaalden in de oorlogsjaren de sfeer in de Maasstad.

Terwijl mijn moeder in verwachting was van mijn broer, werd mijn vader als dwangarbeider bij de novemberrazzia van 1944 weggevoerd naar Duitsland. Mijn moeder en ik trokken daarna in bij de ouders van mijn moeder.

Toen kwam de hongerwinter. Mijn grootvader van mijn moeders kant werd op zijn tocht om tafelzilver voor voedsel te ruilen, bij Amersfoort opgepakt voor de zinloos geworden aanleg van loopgraven. Op 26 maart 1944 werd mijn broer geboren, waardoor we vanaf dat moment in het Oude Noorden met ons vieren huisden: mijn grootmoeder, mijn moeder, een baby en ik. Gas en elektriciteit werden gestaakt, ondervoeding, schurft en hoofdluis sloegen toe.

In die dramatische winter, namen de enige broer van mijn vader en zijn vader, mijn andere grootvader dus, door de honger afscheid van het leven. De broer van mijn vader, mijn oom, trof mijn moeder aan op de vloer van zijn woning, nadat hij al door de ratten was aangevreten.

Zoals andere kinderen ging ik in die tijd niet meer naar school. Elke dag moest ik rondschuimen om aan voedsel te komen, en aan sintels, boomtakken en alles wat verder brandbaar was voor ons noodkacheltje, vervaardigd van een melkbus. Vaak moest ik in de rij staan bij winkels, die onregelmatig bevoorraad werden met kleine hoeveelheden levensmiddelen. Soms waren ze dan uitverkocht op het moment dat je juist aan de beurt was.

Eén keer was ik, achteraf tot mijn verbazing, met volwassenen betrokken bij het beroven van een broodwagen. Normen van je opvoeding werden vergeten, je deed van alles in die desperate tijd om te kunnen overleven. Tulpenbollen en pulp van suikerbieten namen regelmatig de plaats in van normaal voedsel. Honden en katten verdwenen uit de straten. Op het laatst stookten we zelfs al het hout van de zolderkasten en van een trapleuning op. Kou en gebrek aan licht deden je vroeg naar bed gaan.

Het waren de dagen waarin mensen op straat werden gefusilleerd, als represailles tegen de activiteiten van verzetstrijders, en anderen op straat van honger en uitputting dood ineenzakten. Zij werden in kartonnen dozen op handwagens naar de begraafplaatsen vervoerd. Op het laatst, nadat een fatsoenlijke begrafenis onmogelijk was geworden, bleven de doden eenvoudig liggen.

Toen de bevrijding van ons land kwam, was ik drie maanden eerder veertien jaar geworden. Terugblikkend ben ik ervan overtuigd, dat de oorlogsjaren mij gevormd hebben voor mijn latere leven. Het heeft mij een diep besef bijgebracht hoe macht misbruikt kan worden, en wat mensen elkaar kunnen aandoen. Er werd tijdens het oorlogsdrama, dat voor mij als kind pas indringend startte met het bombardement op 14 mei 1940, meer geschonden dan onze stad alleen.

Het heeft mij ook geleerd wat er voor misère kan voortvloeien uit de gedachte, dat bepaalde rassen, geloofsovertuigingen of ideologiën superieur zouden zijn ten opzichte van andere. De strijd tegen dat kwaad behoort ons allen te verenigen. Als wereldburgers behoren we ons los te maken van enghartig nationalistisch denken.

Een herdenking als deze over het kwaad uit het verleden, dat alles vernietigende oorlogsmonster, roept ons ook nu op, met kracht na te denken over onze eigen verantwoordelijkheid. Nu in deze tijd zelfs bepaalde lieden, niet gehinderd door besef van wat zich in de Tweede Wereldoorlog voltrok, soms de tegenstellingen tussen geboren Nederlanders en immigranten aanscherpen, is het voor ons allen zaak waakzaam te blijven bij waarden die ons lief behoren te zijn: verdraagzaamheid, medemenselijkheid en saamhorigheid.

Dames en heren, het was mij een voorrecht u deze terugblik op het oorlogsdrama van onze stad te hebben mogen geven. Ik ben u dankbaar voor de mij geschonken aandacht.

Terug naar voordrachten

Terug naar de home page

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>