Rotterdam na duistere jaren (1945 – 1950)

Lezing door Herman Romer in het ‘Historisch café’ (GAR) op 31 januari 2007

Beste mensen,

Wie beleefd heeft dat, na de diepe ellende en groeiende wanhoop over een goede afloop, ons land toch nog in de meidagen van 1945 werd bevrijd van de Duitse overheersing en terreur, zal het nooit meer uit zijn geheugen kunnen wissen.

Canadese troepen ontketenden bij hun intocht een enorme uitbarsting van emoties en gevoelens na vijf jaar van vaak ontuitsprekelijk leed en verdriet. Na die intocht waren er tijdens de dolle zomer van 1945 dag-in dag-uit straatfeesten in Rotterdam, ondanks de doorsijpelende berichten over de nooit meer terugkerende slachtoffers van de nazi-terreur.

Kinderen kregen na de hongerwinter, waarin ze van school thuis waren gebleven, ook na de bevrijding niet meteen onderwijs, terwijl volwassenen dikwijls nog geen werk hadden. Dus was er elke dag wel aanleiding om te trachten aan bittere herinneringen te ontsnappen. Versterkte grammofoonmuziek, iets bijzonders in die dagen, en overhaast samengestelde orkesten van beroeps- en amateurmusici, droegen daartoe, vooral voor danslustigen, hun steentje bij.

Ik herinner mij nog het beeld in de Wiekstraat, in het Oude Noorden, op een van de eerste avonden na de bevrijding van Rotterdam. Over de middenstraat en op de trottoirs was een compacte massa mensen voortdurend in ritmische beweging, schuifelend op het meest droeve schoeisel dat ik ooit van tevoren bijeen had gezien. Sommige vrouwen en meisjes droegen herenschoenen, waarop ze zich ongemakkelijk voortbewogen. De meeste meisjes droegen jurken die ze al jaren geleden ontgroeid waren: verschoten hobbezakken die er een flink stuk boven de knieën de brui aangaven en onbarmhartig plaatsmaakten voor hun veelal latten van benen, het merendeel bloot, andere tot de enkels gestoken in armzalige skisokjes.

Maar na het vreugdenvuur tijdens de zomer van dat jaar ging de realiteit zich al spoedig rauw aandienen, want het werden magere jaren, die eerste naoorlogse jaren. De Duitse bezetter had ons land leeggeplunderd, tallozen hadden hun bezittingen verloren, en veel steden hadden het zwaar te verduren gehad onder het oorlogsgeweld.

Voor Rotterdam gold dat alles in het bijzonder. Na alle rampen die zich over onze stad hadden voltrokken, presenteerde zich al spoedig een nieuwe: die van een grote woningnood. Een woningnood, die snel verder zou groeien. De tijdens de oorlog in geringe hoeveelheid gebouwde huizen en noodwoningen waren in de praktijk een druppel op een gloeiende plaat geweest. Ook met de gezondheid en met de werkkracht was het beroerd gesteld. En dit in het besef dat er sprake was van enorme tekorten aan goederen, materiaal en materieel.

De overheid stond dus voor gigantische opgaven. Niet alleen moest zij trachten in hoog tempo het land weer op te bouwen, maar ook moest ze pogen de bevolking op redelijk korte termijn weer een menswaardig bestaan te bieden. Dit stoelend op een democratische rechtsorde, waarbij de maatschappelijk chaos na de Duitse terreur moest worden getemd.

Zo moesten verzetsmensen – vaak nog in verwarring – wennen aan de nieuwaangebroken tijd. NSB’ers en anderen die met de vijand geheuld hadden, moesten een passende straf ondergaan. Kinderen die in het oorlogsrumoer waren opgegroeid, moesten in het gareel worden gebracht. Kortom, morele waarden dienden te worden teruggevonden en de zelfdiscipline hersteld.

Naast de treurnis om de vele doden, gaf men zich er rekenschap van dat ongeveer een tiende deel van ons land onder water was komen te staan. Bovendien was er een schrijnend tekort aan transportmiddelen. Niet alleen spoor- en trammaterieel, ook auto’s en fietsen waren in kolossale hoeveelheden door de Duitsers geroofd en weggevoerd.

Zo’n 900.000 mensen waren na de bevrijding praktisch alles kwijt. Ze hadden geen bed meer van henzelf, geen bord meer om van te eten en geen stoel meer om op te zitten. Ontstellend groot was op dat moment het tekort aan huisraad en beddegoed, kleding en schoeisel.

Verder was onze koopvaardijvloot tot bijna de helft gereduceerd. Ook waren talloze bruggen door oorlogshandelingen uitgeschakeld, terwijl vele scholen, ziekenhuizen en boerderijen vernietigd waren.

In een radiotoespraak vertelde Willem Schermerhorn, onze eerste naoorlogse premier, dat er jaarlijks zo’n 65.000 tot 70.000 woningen moesten worden gebouwd, wilde men de achterstand in 10 jaar wegwerken. Maar dit was alleen mogelijk als zeer snel materiaal en materieel vanuit het buitenland zou worden ingevoerd. Het tekort aan bijvoorbeeld hout en staal, glas en kalk, bouwmachines en vrachtwagens was enorm groot. Verder moesten de arbeiders onder meer aan werkkleren, schoenen en gereedschappen worden geholpen. Schermerhorn waarschuwde daarom tegen overspannen verwachtingen over het tempo, waarin de achterstand in de woningbouw kon worden ingehaald.

Die waarschuwing was ook in een ander opzicht gerechtvaardigd, omdat het met de volkskracht op dat moment niet best was gesteld. Velen hadden in gevangenschap of voor het vuurpeleton afscheid van het leven moeten nemen. Daarnaast was een belangrijke groep, speciaal in de Randstad Holland, door hongersnood en ziekte ernstig verzwakt geraakt. Alleen al in Rotterdam leden er tijdens de Canadese intocht ongeveer 55.000 mensen aan hongeroedeem.

Tientallen jaren later haalde Jetty Paerl, in de oorlog bekend als Jetje van Radio Oranje in Londen, aan die misère herinneringen op. Zo kreeg ze in de meidagen van 1945 opdracht om het nooddorp bij het Noorderkanaal te ontruimen. Daar waren in de oorlog weggebombardeerde mensen ondergebracht. In haar visie zagen de woningen eruit als veredelde kippenhokken.

Zij en haar collega’s van het vrouwelijk hulpcorps moesten er behoedzaam heenrijden, motorgeronk zoveel mogelijk vermijden, en de ongeveer 400 mensen voorzichtig laten weten dat ze naar elders getransporteerd zouden worden. Die omzichtigheid van handelen was een absolute voorwaarde, omdat deze mensen na alle narigheid van de oorlog niet alleen labiel, maar ook diepbevreesd en wantrouwend waren geworden.

Veel mensen lagen daar toen gezamenlijk in bed. Ze konden niet meer lopen en lagen om warm te blijven dicht tegen elkaar. Velen hadden een vreselijke hongeroedeem en daardoor heel dikke benen. Het ongedierte liep er met bosjes langs de muren en het stonk er onvoorstelbaar. Aan schurft en hoofdluis geen gebrek. Die mensen moesten in hun eigen belang uit hun onderkomens.

Hoezeer morele waarden in de oorlog bij jong en oud aangeknaagd waren, kwam óók scherp aan het licht. Zo werden aanhangers van de Nationaal-Socialistische Beweging, de NSB’ers, en andere collaborateurs en zogenaamde moffenhoeren, niet alleen publiekelijk vernederd, maar ook vaak mishandeld. Daarnaast toonden een losgeslagen jeugd en een voortwoekerende zwarte handel schrijnend aan, hoezeer de samenleving was ontspoord.

Natuurlijk was voorspelbaar geweest dat na de bevrijding de haat tegen de verraders van ons land en van ons volk zich op buitensporige wijze zou kunnen uiten. Dat werd ook bewaarheid, en daarbij dolven normbesef en innerlijke beschaving vaak het onderspit. In die meidagen van 1945 riep het voorheen illegale weekblad Vrij Nederland de bevolking op, nu niet de laffe gewelddadigheid tegen weerlozen toe te passen die zij zelf van de Duitse overheerser had ondervonden.

Intussen deed die aantasting van normen en waarden zich niet alleen gelden bij de publieke afstraffing van lieden, die met de vijand hadden geheuld. Ook de binnenkomst van de Canadese troepen in de meidagen had haar gevolgen. Veel meisjes en jonge vrouwen die er niet over gepiekerd zouden hebben met Duitse soldaten om te gaan, traden in de bevrijdingsroes de geallieerde militairen heel anders tegemoet. Op zich viel er geen kwaad woord te zeggen over deze uitbundige contacten. Maar al gauw dompelden talloze meisjes en jonge vrouwen uit alle lagen van de bevolking zich onder in de besloten clubfeestjes van de Canadezen, waarbij alcoholische consumpties hun er soepel toe brachten zich aan lichamelijk vertier over te geven. Ook kon men onder de avondhemel in het gras van bos, park of plantsoen vele internationaal verenigde paren aantreffen, die niet enkel voor ogen hadden over de stand van de sterren te spreken.

Sexueel verkeer met Canadese militairen leidde tot een explosieve toename van geslachtsziekten. In augustus 1945 waren – officieel – al meer dan 2.000 meisjes die voor zo’n aandoening behandeld moesten worden. Daarbij veronderstelde men dat er meer dan 10.000 anderen waren, die er geen benul van hadden dat ze met zo’n infectieziekte besmet waren. ‘Heel Europa was een groot matras en de hemel het plafond van een derderangshotel,’ dichtte Remco Campert in terugblik veel later.

Gelukkig startte tegen het einde van de zomer de repatrieëring van de soldaten. Daardoor kwamen de bij hen in gebruik zijnde woonhuizen en scholen, fabrieken en pakhuizen langzamerhand weer beschikbaar voor onze bevolking. Niet lang daarna meldde de pers dat de Canadese legatie definitief maatregelen had getroffen, om Nederlandse echtgenotes en verloofden te helpen, hun toekomstige woonplaats in Canada te bereiken.

Ook met dit intermezzo was scherp aangetoond, dat het moreel van het volk tengevolge van vijf bezettingsjaren danig gereviseerd moest worden. De samenleving moest opnieuw gemobiliseerd en georganiseerd worden. De scholing van voldoende arbeidskrachten speelde daarbij geen geringe rol.

Na die dolle zomer van 1945 braken sobere tijden aan. De meeste mensen moesten hard werken tegen een bescheiden beloning, en soms lange uren maken. Ze konden niet of nauwelijks met vakantie gaan, en beschikten over weinig middelen voor andere pleziertjes.

Verder bleef het distributiesysteem van voedsel en goederen geruime tijd aanhouden. Velen bleven daardoor tobben met onvoldoende kleding. Kleding, die bovendien meestal van slechte kwaliteit was. Inkomsten van werkenden en niet-werkenden waren vaak zó laag, dat men vooral in grote gezinnen ertoe kwam belangrijke distributiebonnen in de zwarte handel te verkopen. Met de opbrengst was men dan in staat voor de resterende bonnen voedsel te kopen. Onderwijl poogde de Rotterdamse politie, onder meer met razzia’s, de zwarte handel krachtig te bestrijden.

Als gevolg van de oorlog was bij veel mensen het verschil tussen mijn en dijn verloren gegaan, speciaal als het om voedsel ging. In de haven kwam dat heel sterk aan het licht bij het lossen van voedselschepen. Om ook dat kwaad te keren, verrichtte het havendetachement van de Binnenlandse Strijdkrachten – onder leiding van de Rivierpolitie – in het totale havengebied wacht- en patrouillediensten. Dat gebied was omringd door een prikkeldraadversperring en mocht uitsluitend met een speciale pas betreden worden. Behalve dat havenarbeiders regelmatig werden gefouilleerd, werden ook daar razzia’s gehouden om dieven te pakken te krijgen.

Nu lagen de zaken bij de havenarbeiders niet zo eenvoudig. Ruim een week na de bevrijding hadden zij al de handen uit de mouwen moeten steken, en maakten daarbij – continu doorwerkend – heel lange dagen. Zelfs op zondag werd doorgewerkt. Vaak werden weken van 60 uur gemaakt. Het resultaat was dat in zeer korte tijd weer schepen gelost en geladen konden worden. Maar ook de havenarbeiders, slecht gekleed en nauwelijks van schoeisel voorzien, waren verzwakt en broodmager uit de oorlog te voorschijn gekomen. Dus tobden ze bij hun zware lichamelijke arbeid hoe ze met hun schrale loon aan voldoende eten konden komen. Als voedsel dan bijna dagelijks aan je neus voorbijtrekt, is de verleiding wel erg groot om daarvan iets mee te nemen.

Weldenkende mensen op verantwoordelijke posities hadden eigenlijk kunnen voorspellen dat de onvrede onder de havenarbeiders tot uitbarsting moest komen. Immers, terwijl ze tot de eersten behoorden die hun beste krachten gaven bij de wederopbouw, werden ze ernstig gehandicapt in hun situatie. Maar ook de traditionele vakcentrales hadden onvoldoende oog voor de zorgwekkende omstandigheden van de werkers in de haven. Daarom was als verzet tegen die bonden al op 13 juni 1945 de Eenheids Vakcentrale (EVC) opgericht.

Een ernstig incident tussen havenarbeiders en leden van de Binnenlandse Strijdkrachten, waarbij de laatsten waarschuwingsschoten losten, leidde veertien dagen later tot een massale havenstaking. Hiervan profiteerde de EVC door een niet minder massale toestroming van leden. Hoewel daarna niet alle eisen van de stakers werden ingewilligd, besloten ze toch op 5 juli 1945 het werk te hervatten. Ze hadden er in elk geval een loonsverhoging van 20% uitgesleept.

De geweldige aanpak van de havenwerkers had daarna als resultaat, dat begin november 1945 weer zo’n 40 tot 45 schepen per week de haven binnenvoeren, met zo’n 100.000 tot 120.000 ton aan goederen. En omdat er een brede vaargeul ontdaan was van de door de Duitsers veroorzaakte obstakels, konden weer de grootste zeeschepen in de haven terecht. Toch zou het nog tot eind 1949 duren, voordat de ernstig verwoeste Rotterdamse haven weer volledig hersteld zou zijn.

Intussen keerden de arbeiders, onder invloed van de herstelde verzuiling, steeds meer terug naar de traditionele bonden. Op haar beurt verloor de EVC gaandeweg haar onafhankelijk karakter, omdat de communisten erin slaagden de bond onder hun invloed te krijgen. Daarmee begon een uittocht, die weer tot gevolg had dat er een nieuwe bond werd opgericht: het Onafhankelijke Verbond van Bedrijfsorganisaties (OVB). Een bond, die later het voortouw zou nemen bij enige tientallen stakingen.

Niet alleen in de haven, ook in de stad keek men reikhalzend uit naar verbetering van de levensomstandigheden. Tijdens de oorlog hadden al enige tienduizenden Rotterdammers die hun woning hadden verloren, de stad verlaten om elders een nieuw onderkomen te zoeken. Anderen waren ingetrokken bij familie, vrienden en kennissen. Desondanks was er na de bevrijding sprake van een grote woningnood. Velen verbleven in eerder onbewoonbaar verklaarde woningen, vaak uitgesproken krotten, of op benauwde zolderkamertjes. Soms huisden mensen zelfs in niet meer gebruikte treinwagons. Anderen zochten na de bevrijding hun toevlucht in de nu lege bunkers in Hoek van Holland.

Helaas kon de schrikbarende woningnood, die op het persoonlijk leven van de Rotterdammers een ellendig stempel drukte, speciaal vóór de jaren vijftig niet krachtig worden aangepakt. Niet alleen het reusachtige tekort aan bouwmaterialen verhinderde woningbouw op grote schaal, ook de eis dat herbouw van de haven prioriteit had. Want die laatste activiteit was van groot belang voor het herstel van de nationale economie. In die situatie nam het aantal woningzoekenden nog sneller toe.

Gebrek aan geld, bouwmaterialen en vakkrachten bleven ernstig vertragende factoren bij de voorgestelde wederopbouw. Om vlug en goedkoop te kunnen bouwen, besloot men daarom in het gebied Kleinpolder in Overschie systeembouw in beton toe te passen. Dat was de première voor ons land van een tot de verbeelding sprekend experiment. Systeembouw had ook het voordeel dat ongeschoolde krachten ermee uit de voeten konden. Met geprefabriceerde materialen stampte men in betrekkelijk korte tijd een wijk voor arbeidersgezinnen uit de grond, met als bijzondere kenmerken: groen, water en – niet te vergeten – ruimte.

Helaas openbaarde deze dadendrang zich in de eerste naoorlogse jaren nog amper in de Grote Leegte van het stadshart. Voorlopig werd alleen de snelle bouw van banken en een enkele verzekeringsmaatschappij gezichtsbepalend voor de invulling van de binnenstad. Niet iedereen was hiermee even gelukkig. Velen vonden de herbouw van woningen, winkels en bedrijfsruimten in het centrum van dringender belang. Maar dit kon men slechts bevorderen door eerst te zorgen, dat de banken weer hun plaats vonden om optimaal te kunnen functioneren.

Winkeliers waren er in de eerste vijf jaar na de oorlog trouwens helemaal niet zo happig op, terug te keren in het nog desolate kale gebied waar na zessen niemand meer te bespeuren viel. Het waren de dagen waarin de spaarzame cafés op de Coolsingel ‘s avonds hun deuren gesloten hielden en alleen de trams hun weg door de duisternis zochten.

Niet alleen Rotterdammers, ook anderen raakten verstomd bij hun eerste of herhaalde kennismaking met de lege binnenstad, met die treurige woestenij van groezelige plassen en vreemde naamloze kruiden. Vooral zij, die het bruisende vooroorlogse hart gekend hadden.

Gelukkig was er in die onzalige situatie één bedrijf dat zich als pionier ontplooide. Toen dit bedrijf, Vroom en Dreesmann, zich een paar jaar na de bevrijding in de puinvlakte ging vestigen, volgden spoedig andere bedrijven, waaronder dat van C & A. Daarmee begon de trek terug naar het hart van de stad.

Na het Duitse bombardement op 14 mei 1940 waren ter leniging van de plotselinge woningnood verschillende complexen noodonderkomens gebouwd. Zo waren er toen complexen bekend als het Brabantsedorp, het Drentse Dorp, het Gelderse Dorp en het Utrechtse Dorp. Ook in de nog zelfstandige gemeenten IJsselmonde en Overschie, en zelfs in Vlaardingen en op Goeree-Overflakkee, werden noodwoningen gebouwd.

Aanvankelijk dacht men dat de betonnen onderkomens als tijdelijke huisvesting niet langer dan zo’n tien jaar in stand zouden blijven. Maar aanhoudende woningnood hield bijvoorbeeld het Brabantse Dorp aan het Zuidplein veel langer overeind dan de opzet was, waardoor de verkrotting steeds feller toesloeg. Pas de oprukkende nieuwbouw zou dit woningcomplex zo’n kwart eeuw na het ontstaan het loodje doen leggen.

Het was een rauwe tijd, die eerste jaren na de bevrijding waarin de maatschappelijke chaos moest worden getemd. Niet altijd werd daarbij even zorgvuldig gehandeld. Gebrek aan voldoende inlevingsvermogen, soms uitmondend in totaal onbegrip, wilde nogal eens de boventoon voeren. Een paar voorbeelden. Iedereen die tijdens de bezetting naar Duitsland was vertrokken, ongeacht op wel of niet vrijwillige basis, moest zich melden bij een met spoed opgerichte hulpsecretarie in de Rivièrahal van Diergaarde Blijdorp. En dat gold ook voor een onderduiker. Die registratie was onontkoombaar, maar men trad de betrokkenen niet altijd even fijnzinnig tegemoet.

Zo kwamen in de eerste maanden na de bevrijding op het toenmalige Maasstation regelmatig treinen aan met mensen die uit Duitsland terugkeerden. Daar werden ze ontvangen in een ruime maar kale goederenloods, waar ze niet alleen geregistreerd werden, maar dikwijls ook zwaar ondervraagd. Want er waren niet alleen NSB’s, onder die in de laatste maanden van de oorlog naar Duitsland waren gevlucht, maar ook Nederlanders die bij de SS hadden gediend. Bestond na zo’n gesprek ook maar de minste twijfel over de integriteit van de persoon in kwestie, dan werd hij doorverwezen naar een onderzoeksteam dat zich ook op het station bevond.

Na alle ontberingen die ze hadden doorstaan, was de ontvangst van de repatrianten eenvoudig een formele kwestie, waarbij met gevoelens weinig rekening werd gehouden, waarna de mensen zelf hun weg maar moesten zien te vinden. Incidenten, vooral bij schrijnende gevallen, konden daarom niet achterblijven.

Speciaal de nog spaarzaam teruggekeerde joodse mensen, afkomstig uit een concentratiekamp of van een onderduikadres, deden daar soms miserabele ervaringen mee op. Zo openbaarden zich grote problemen bij het terugvorderen van hun eigen woning of van in bewaring gegeven eigendommen. Ook speelden zich navrante situaties af op het terrein van rechtsherstel en het toebedeeld krijgen van de zorg voor joodse oorlogswezen. Overigens waren slechts zo’n 700 van de 12.000 joden die zich vóór de oorlog Rotterdammer mochten noemen, in leven gebleven.

Intussen bleef de schaarste aan allerlei artikelen lang aanhouden, waardoor het distributie-systeem nog vele jaren gehandhaafd bleef. Ook met de brandstofvoorziening, speciaal in de winter van 1947 op 1948, was het slecht gesteld. Bovendien hadden velen nog steeds onvoldoende kleding. De Hulp Actie Rode Kruis (de HARK), en de Stichting Volksherstel verzamelden in binnen- en buitenland geld en goederen voor hen die het zwaarst te lijden hadden. Veel vrouwen breiden toen, en maakten en vermaakten jurken. Het gros van de mensen voerde een constante strijd tegen de armoede.

Duidelijk was ook dat de voedselproduktie nog steeds niet goed functioneerde. Ons land beschikte niet over deviezen om te kunnen importeren, en de goudvoorraad was danig gereduceerd. Maar medio 1947 lanceerde George Marshall, de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, zijn idee voor een hulpprogramma op grote schaal aan Europa, om de economie weer aan te laten trekken. Het plan kwam tot uitvoering en als de zogenaamde Marshall-hulp konden bijvoorbeeld bedrijven, na goedkeuring van hun plannen, guldens ruilen voor dollars. Daarmee konden ze in Amerika orders plaatsen voor granen en ruw katoen, ijzer en staal, ruwe olie, vetten en machine-onderdelen. Toen daarna in Duitsland de ijzer- en staalproduktie op gang kwam, werd ook in ons land het economische klimaat gunstiger.

Met veel jongeren zat het in de eerste naoorlogse jaren in de grote steden van ons land nog steeds niet goed. De oorlog had hen hardhandig bijgebracht dat normen en waarden bij het vuilnis werden gezet zodra terreur en honger toesloegen. Zij hadden nooit voldoende kansen gekregen om dromen na te jagen.

Die ontgoocheling had hen sceptisch – en soms zelfs cynisch – gestemd over de door de autoriteiten gepropageerde idealen, die herstel inhielden van maatschappelijke opvattingen van vóór de oorlog. Maar kinderen die waren opgegroeid in een platgebombardeerde en onherbergzame stad als Rotterdam, waarin het recht en de wet van de ene dag op de andere door Duits sprekende criminelen waren vastgesteld, bleken zich niet snel aan te passen aan de gewijzigde omstandigheden. Te midden van de puinhopen en de later kale vlakte hadden ze vijf jaar lang de oorlog kunnen naspelen – was dit nu opeens voorbij?

In artikelen in Het Vrije Volk van maart 1946, met Katendrecht als rosse buurt in het zoeklicht, was sprake van fabrieksmeisjes die goedkoop uit wilden zijn en zich soepel lieten begunstigen door Amerikaanse soldaten, die met verlof uit bezet Duitsland waren. Meisjes die het voor een deel niet zo heel nauw zouden nemen, als ze nieuwe schoenen of kleren begeerden.

En hoe stond het met de jongens? De Rotterdamse auteur Jan Koonings schrijft daarover in een verhaal het volgende. ‘Zoals we daar stonden in de roodpluchen hal van de buurtbioscoop, zullen we ongetwijfeld een fraai gezicht hebben opgeleverd. Lange slungels in te wijde, te oude kleren. Licht voorover gebogen, stiekem een shaggie zuigend voor de voorstelling. We hadden stuk voor stuk vale gezichten met puisten onder vet-glimmende haardossen. Kortom, de grote-stadsjeugd van het bevrijd herrezen Nederland ten voeten uit. De ondervoede kinderen van Vadertje Drees in hun grotendeels verwoeste stad, die zich nu ‘Sterker door Strijd’ mocht noemen.’

Tot zover Jan Koonings. Vijf jaar oorlog, waarin achterdocht en angst, bedrog en verraad zo’n dominerende rol hadden gespeeld, bleek in de geest van de jeugd niet meteen uit wissen. Die oorlogsgeneratie toonde zich in het algemeen weinig gevoelig voor de herstelde tendensen van moraal en paternalisme.

Vele jaren later schreef Koonings: ‘Waarop wij wachtten? Ik geloof op een voorbeeld. Kijk, de tijd had ons van alle voorbeelden, van iedere mogelijkheid tot identificatie, beroofd. Je vader kroop in een gootsteenkastje als er werd gebeld. Je zus was aan de Canadezen verkocht voor sigaretten en wat je moeder bij zeer christelijke boeren had uitgevoerd om een hap eten te kunnen versieren, kon je maar beter niet weten.’

Maar gaandeweg werd er tegengas gegeven. Veel bedrijven stimuleerden na afloop van de oorlog hun personeel tot het oprichten van een toneel- of cabaretafdeling, of van een orkest. Het verenigingsleven bloeide sterk op. In die sobere tijd werd de zelfwerkzaamheid met kracht aangemoedigd. Verder ontstonden er voetbalclubs die onder de naam van hun firma deelnamen aan de avondcompetitie van het bedrijfsvoetbal. Ook de wandelsport kwam op. In elke wijk waren wel één of twee wandelsportclubs te vinden, waardoor een Avondvierdaagse ontstond. In Rotterdam deden hieraan zo’n 20.000 wandelaars mee.

Het bedrijfsleven deed er alles aan om de werknemer zijn persoonlijke discipline terug te laten vinden. Omdat het openbaar vervoer nog een aantal jaren niet perfect was, kochten bedrijven in 1948 legerfietsen op in Amerika. Deze stelden ze voor een prijs van vijftig gulden beschikbaar, af te betalen met een gulden in de week. Daarmee hadden de bedrijven de garantie dat de mensen op tijd op hun werk verschenen.

Omdat bedrijven voorts het nut van goede vaklui onderschreven, startten ze ook met leerscholen. Ingebouwd binnen de werkuren van de onderneming, kwamen voor leergierigen theorie en praktijk aan de orde. In deze geest werd ook in de haven in september 1949 aangevangen met een basisopleiding, later uitgegroeid tot de Havenvakschool.

Toch zagen veel jonge Nederlanders, gekweld door hun herinneringen aan de vooroorlogse crisisjaren en het leed van de oorlog, het niet meer zitten in ons land. De armoe en de woningnood, de nog altijd heersende distributie en de verwachting van een naderende overbevolking, dreef menigeen ertoe zich over te geven aan bespiegelingen over emigratie naar een ander land. Juist de kroostrijke gezinnen brachten die emigratieplannen vaak ten uitvoer. Vooral in de jaren vijftig werd dit populair. Speciaal Canada, Australië en de Verenigde Staten waren in trek. In mindere mate waren ook Zuid-Afrika en Nieuw-Zeeland gewilde emigratielanden. Het waren doorgaans niet de slechtsten die zich bereid toonden elders onder zware omstandigheden hun handen uit de mouwen te steken. Maar zij die bleven zouden in de verwoeste delen van ons land niet minder lang de pioniersrol op zich moeten nemen. Voor Rotterdam, zozeer getroffen door de verschrikkingen van de oorlog, kwam daarbij dat de bewoners nog jarenlang geconfronteerd zouden worden met de onbehaaglijk lege vlakte van de binnenstad. Een centrum waarin woningen en winkels schrijnend ontbraken, en de culturele infrastructuur om hals was gebracht.

Hoe driftig ook later – tegen een vaak chaotisch decor van dreunende heimachines – een nieuw centrum uit de grond werd geranseld, die Grote Leegte zou zich nog jarenlang in de geest van de mensen blijven manifesteren.

Terug naar voordrachten

Terug naar de home page

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>