De geur van Rotterdam

Stad waarin mijn jeugd ontbloeide,
jij brute, rauwe, ongepolijste
omlijsting van warmhartigheid, spoken
blijf je in m’n geest met jouw straten,
stegen, sloppen, nog heugt mij ’t bolderen
van sleperswagens op de blauwe keien,
verdwaalde geuren langs de kaden, giganten
van de oceaan die de rivier opstoomden.

Stad waarin mijn jeugd ontbloeide,
nog proef ik toen seringen geurden de hel
waarin jouw hart verzonk, zie ik
die brandweerman die eenzaam ’t brakend
vuur poogde te temmen, in een mist van roet
en stof terwijl de muren kraakten – en later
uitgebluste kraters, skeletten van verdoemde
huizen waardoor de wind ging blazen, en ruik ik
weer verbrande koffie, hout, textiel,
gebraden vlees van mens en dier.

Stad waarin mijn jeugd ontbloeide,
geen geur herinnert mij zó sterk aan toen
als die van de verbranding. Laat geen
mij zeggen waar te zijn als ooit weer bommen
mochten vallen. Want waar mijn lichaam
ook zal toeven, mijn geest zal dwalen
door de stad waarin mijn jeugd ontbloeide –
en ook verloren ging.

Voordracht van dit gedicht van Herman Romer vond plaats
tijdens zijn lezing onder de titel ‘Zwarte confetti’
over het Duitse bombardement van 14 mei 1940.
Plaats : Historisch Café in het Gemeentearchief aan de Hofdijk. Datum: 26 maart 2003.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

*

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>