Fragment uit "Stad van verloren dromen"

63843[1]De nog jonge vrouw stond beroet en wankelend op een stuk van een licht zwaaiende trap, die niet langer omlaag leidde. Het was een spookachtig beeld, dat veel weg had van een dramatische scène uit een opera.

Een walm van geelbruine rook, zich tussen de verwoeste huizen heen persend, deed zijn ogen tranen. Een scherpe brandgeur drong in zijn neusgaten. Hij hoestte.
Struikelend over het woeste landschap van stenen en balken, glas en stukgeslagen meubilair, en tegen het decor van ruïnes en kraters, werkte hij zich met spoed voort naar de locatie van de vrouw, tot hij een plek, een aantal meters onder haar, had bereikt.

‘Springen!’ schreeuwde hij haar toe, zijn armen uitspreidend. ‘Vooruit, spring!’