Boek over 'gezellige' tijd

Door Dik Vuik, weekblad Maasstad, 28 november 2007

Het geluid van heimachines. Dat geluid herinnert elke Rotterdammer zich uit de decennia na de oorlog. En het was nog ‘gezellig’, in de herinnering van velen. Maar er is veel meer kenmerkends te bedenken voor het leven in die periode. Herman Romer schreef er een boek vol mee: ‘Rotterdam in de jaren vijftig’. Het werd verleden week gepresenteerd in Historisch Museum Het Schielandshuis.

Herman Romer zit bepaald niet stil. Hij maakte naam met zowel literatuur als historische boeken over de Maasstad. Voor het eerste won hij in 1971 de Anna Blamanprijs, voor zijn totale werk kreeg hij drie jaar geleden de Laurenspenning. ‘Rotterdam in de jaren vijftig’ is dit jaar alweer zijn 41ste boek, na de eerder verschenen roman over het vooroorlogse Rotterdam ‘De
danszaal in het duister’. En nu is de schrijver dan bij de naoorlogse jaren beland.

De jaren vijftig leveren wat Romer betreft ‘gemengde gevoelens’ op. Het was de tijd van gemeenschapszin, maar tegelijkertijd was er in Rotterdam vreselijke woningnood en armoe.

De herbouw van de haven ging na de oorlog voor en pas vanaf 1950 werden er meer woningen gebouwd. Je kreeg pas een huurmachtiging als je 5 jaar getrouwd was en twee kinderen had, als je 10 jaar getrouwd was zonder kinderen of als je samen 60 was. Veel mensen woonden in bij hun ouders of moesten sleutelgeld betalen om aan een woning te komen. In 1953 waren er 24.000 gezinnen zonder huisvesting. Voor de oude wijken was geen geld, dus slechte woningen werden niet gesloopt.

Het is al met al geen positief beeld, maar toch leveren de jaren vijftig vaak het beeld op van ouderwetse gezelligheid. En ook dat beeld klopt wel. ‘De huiselijkheid was groot, ‘aldus Romer. ‘Er werden spelletjes gespeeld en de radio speelde een grote rol.’

In de grote leegte van de binnenstad was nog weinig te doen, dus werden mensen lid van verenigingen. En in elke wijk was wel een particuliere bibliotheek. Dat zou nu ondenkbaar zijn. De verzuiling domineerde na de oorlog nog. Elke zuil had zijn eigen instituten en huwelijken tussen verschillende geloven werden niet aangemoedigd.

Over samenleven of echtscheiding werd nog met minachting gesproken. Mensen waren zeer gezagsbewust. Pas aan het eind van de jaren vijftig stak het maatschappelijk protest op.
Tegen die tijd was Rotterdam alweer aan het veranderen. Romer noemt de oplevering van het Centraal Station, in 1957, de bouw van Termeulen, de Lijnbaan en het Groot Handelsgebouw. Langzaam maar zeker kwam er weer iets van een centrum terug.

Nieuwe bioscopen ontstonden, en er werd ook veel opgetreden in de schaarse zalen die de stad nog rijk was.
‘De Rivièrahal werd voor van alles en nog wat gebruikt,’ geeft Romer een voorbeeld. ‘Voor variété, maar er werden ook examens gehouden, congressen georganiseerd en er vonden sinaasappelveilingen plaats.’

Een eindoordeel over de jaren vijftig is lastig te geven. ‘Terugkijkend wordt vaak de gemeenschapszin genoemd, maar het het was ook een betuttelende tijd,’ concludeert Romer. ‘De keerzijde was de armoe en de woningnood en dan zijn mensen vanzelf meer op elkaar aangewezen. Mensen hadden soms maar eenmaal per week vlees op tafel en er werd veel gepoft.’

Het ideaalbeeld van de jaren vijftig behoeft dus correctie, maar wie Romer’s nieuwste pennenvrucht leest leert vanzelf beide kanten van het tijdperk kennen.

Krant op tafel, olienoten pellen

De Oud-Rotterdammer, 27 november 2007

Zaterdagavond. De kolenkachel snort. Een schamel peertje schijnt op de huiskamertafel. Om de tafel vijf gezinsleden. Moeder vouwt een Vrije Volk open, legt die op het tafelkleed en stort een zak doppinda’s uit. Op de achtergrond klinkt uit de radio Lou Bandy met zijn ‘Wie heeft er suiker in de erwtensoep gedaan.’ Het gekraak van de schillen is niet van de lucht en het geknars van kiezen die de nootjes vermalen evenmin.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw was het één van de gezinshoogtepunten van de week. Herman Romer laat die tijd herleven in zijn vorige week gepresenteerde boek ‘Rotterdam in de jaren vijftig – De stad van dreunende heipalen.’ Het is een kostelijk boek geworden, zeker voor de babyboomers van na de Tweede Wereldoorlog die het allemaal hebben meegemaakt. ‘Bij de bakker, melkboer en waterstoker werd gepoft. Maar op zaterdagmiddag was alles weer voorbij, want dan had moeder van het weekloon de pof betaald,’ memoreert Romer.

Hij besteedt ook aandacht aan de handkarren en sleperswagens, die toen het straatbeeld beheersten. Ook het bouwen van het Groothandelsgebouw, winkelpromenade Lijnbaan, de opening in 1955 van de eerste supermarkt van Albert Heijn aan de Nieuwe Binnenweg en de eerste tv-uitzending op 2 oktober 1951 passeren het voetlicht. Het zijn maar een paar kruimels uit het fraai geïllustreerde boek.

Romer schonk in het Schielandshuis het eerste exemplaar aan Alexandra, de dochter van de veel te jong gestorven Henny Oosterom-Groothuijs. Hij vertelde bijzonder veel steun van haar te hebben gehad in een moeilijke periode van zijn leven.